Goet gezechd!

Lang geleden werkte ik als office manager, voor een hele nare man. Uit de drie dames die hadden gesolliciteerd, koos hij voor mij. Niet omdat ik de beste was, maar omdat de andere dames het na het tweede gesprek ineens lieten afweten. Ik hoefde niet voor een tweede keer te praten, maar werd persoonlijk gebeld door de directeur en kon meteen beginnen. Ik hoorde dit verhaal pas na zes maanden. Het meisje, dat voor mij de office manager was, kwam op een dag langs. Wij raakten aan de praat en ze vertelde me dat ze door die nare man was ontslagen. Hij wilde nog wel dat ze de tweede ronde van de gesprekken voerde; hij had zelf geen tijd. Uit wraak had ze de andere meisjes bang gemaakt. De baas kwam er helaas achter voordat ze dat bij mij kon doen.

Er werkten nog vijf mensen in het bedrijf, waaronder zijn vrouw. Hij had altijd gelijk en niemand sprak hem ooit tegen. Ik probeerde het in het begin wel, omdat het nodig was. Bijvoorbeeld toen hij een factuur in tweevoud verstuurde en op de factuur schreef:  Bijlage copie factuur.

Ik zei vriendelijk dat kopie met een ‘K’ werd geschreven.

Maar hij snauwde: “Wie is hier nou de directeur” en beet me toe dat kopie met een ‘K’ lelijk staat.

“Je schrijft toch ook niet faktuur?”

Na nog een paar van zijn gemene opmerkingen hield ik ook maar mijn mond. Zelfs toen hij over Surinamers begon.

Hij had er geen problemen mee dat ze er waren, maar hij werd tureluurs van de manier waarop ze spreekwoorden verpestten. Tja, ik ben in Rotterdam geboren, ben nog nooit in Suriname geweest, maar dat de kat haar kittens in de oven baarde, betekent niet dat het ineens koekjes zijn.

Waarschijnlijk had die directeur daarom een extra hekel aan mij. Ik strooide niet eens met spreekwoorden en gezegden. Tenminste, ik gebruikte ze niet in mijn dagelijkse vocabulair.

Ik ken er wel veel. Ik heb al jaren een ‘het grote spreekwoorden en gezegden boek’. Ik kijk vooral naar de plaatjes, omdat die tekeningen de teksten letterlijk uitbeelden en daardoor heel grappig zijn. Ook ben ik dol op odo’s. Dat zijn Surinaamse gezegden, spreekwoorden en spreuken waarbij je vijfhonderd woorden gebruikt om te zeggen ‘ik zou het niet doen’ of ‘dat overleef je niet.’ Zelf heb ik liever dat men direct zegt wat ze bedoelen. Dat voorkomt veel misverstanden.

Voordat ik verder ga over spreekwoorden, zal ik eerst nog vertellen hoe mijn verhaal met die vreselijke man afliep. Na vier maanden bij hem gewerkt te hebben, bleek ik zwanger. Hij ontsloeg mij na tien maanden. Niet omdat ik dik werd, maar om een andere, vage reden. Nadat ik was bevallen, ging ik weer solliciteren. Ik leed vast nog aan zwangerschapsdementie, want ik gaf die man op als referentie. Toen hij werd gebeld, schrééuwde hij – volgens de consulente van het uitzendbureau – dat ik lui was en alleen de koelkast leeg vrat. Hij zou mij niet aannemen als hij het voor het zeggen had. Ik mocht gelukkig uitleggen wat er echt aan de hand was en kon alsnog aan de slag.

Het was wel de druppel die de maat vol maakte. Hij wilde natuurlijk ook een vinger in de pap steken. Toch verdiende dat, wat hij deed, geen kroon. Na zijn laatste opmerking waren de poppen gaar! Die man was gewoon te dom om met het achtereind van de duivel te dansen.

Alleen de eerste verhaspeling is trouwens van een Surinamer. Mijn moeder was lang geleden boos op onze de buurman. Hij had voor de zoveelste keer een overstroming veroorzaakt in de gemeenschappelijke gang. Zij stond tot haar enkels in het water en wilde vast in één keer alle toepasselijke spreekwoorden gebruiken, die ze op dat moment kon bedenken. De andere vier heb ik van autochtone Nederlanders. Eén ervan komt zelfs uit een heel saai praatprogramma.

Het is niet aan mij om anderen tot vervelens toe te verbeteren of om de taal aan te passen. Ik kan ook niet in één keer foutloos een tekst neerzetten. Soms laat ik mijn verhaaltjes nakijken door iemand die – niet door mij – betaald wordt, om teksten te redigeren en daarna zitten er bijvoorbeeld nog maar twee foutjes in, in plaats van zeven. Daarom mijn excuses als er af en toe toch nog een taalvoutje in mijn verhaaltjes staat. Na zevenenveertig jaar zou je verwachten, dat ik de taal eindelijk beheers en zelf mijn teksten kan corrigeren. Maar of er nu een ‘d’ te weinig staat of een ‘t’ te veel, als je maar begrijpt wat er gezegd wordt. Toch?

 

NB: Ik heb deze tekst zelf nagekeken. Als je toch nog een foutje vindt, stuur mij een mail. Wie weet win je een leuke preis!

Advertenties

Piesbosch

Ken je die filmpjes van ‘Je had maar een taak’? Mensen die in benarde situaties terecht zijn gekomen, zoals met hun hoofd tussen de spijlen van een hek of met één hand in een tamponapparaat? Zij moeten lijdzaam ondergaan dat ze uitgelachen én gefilmd worden. Ik ben toentertijd gelukkig niet gefilmd. Ik deelde het filmpje van ‘JHMET’ via mijn Facebookpagina en schreef er bij:

(…) Zal niet zeggen welke het was, maar ik herkende de situatie meteen! Ik tag expres niemand,  je weet zelf wie je bent (…)

Eén van de reacties was: (…) “Je ‘hele’ leven schrijf je in je blogs…en dit onthoud je ons?”

Ja, dat klopt. Ik moest trouwens meteen ergens anders aan denken. Dat was ook behoorlijk gênant, maar dat wil ik wel delen.

Toen ik dertien was, vroeg een vriendin of ik in de zomervakantie met haar en haar moeder mee ging naar hun vakantiehuisje in de Biesbosch. Zij zouden daar vier weken verblijven. Ik zei dat ik helaas niet meekon, omdat ik de laatste week van de vakantie met mijn moeder naar Griekenland zou gaan.

“Geen probleem”, zei mijn vriendin. “We brengen je na twee weken weer terug.”

Ik was eerder mee geweest naar hun huisje in de Biesbosch. Op een vrijdagmiddag gingen we er meteen uit school heen met haar moeder. Dat weekend vierden we de verjaardag van een kennis van de moeder van mijn vriendin. Zij was in de Biesbosch met haar man en haar twee dochters van veertien en zes jaar.

Die zomer was die familie er ook weer. Beide meisjes hadden een leeftijdsgenootje mee en hun neef van zestien was er ook. De familie had een kano en een roeiboot waar vier mensen in konden. Wanneer de boten niet werden gebruikt, lagen ze in de tuin. De tweede dag dat we in de Biesbosch waren, gingen we bij hen op bezoek. De neef liep net de tuin door, met de kano. De volwassenen en de twee jongste meisjes bleven op het gras zitten, terwijl wij met z’n vieren de roeiboot meenamen.

We moesten de boot helemaal naar de sloot sjouwen, een stukje het water in tillen en er dan zelf in klimmen. Ik voelde de blubber aan mijn voeten zuigen. Mijn vriendin schreeuwde dat ze op een vis stond. Toen de-dochter-van-de-kennis-van-de-moeder-van-mijn-vriendin eindelijk zei dat we ver genoeg van de kant waren, sprongen we snel de boot in. De dochter roeide in haar eentje en we gingen best hard.

Na tien minuten zei mijn vriendin dat ze weer naar de kant wilde, omdat ze moest plassen. Het-speelmaatje-van-de-dochter-van-de-kennis-van-de-moeder-van-mijn-vriendin stelde voor dat mijn vriendin even de boot uit ging zodat ze in het water kon plassen. Maar mijn vriendin wilde persé terug. Eenmaal aan de kant verdween ze snel in de bosjes. Ik had verwacht dat ze na haar sanitaire stop weer de boot in zou springen. Maar toen mijn vriendin eindelijk uit de bosjes kwam, gleed ze meteen het water in. Ze zwom de boot voorbij en ging zelfs even kopje onder. Ze had zin om te zwemmen, zei ze.

Het varen was leuk. Wij mochten allebei een stukje roeien en we kwamen de neef in de kano ook nog tegen. Hij bleek heel aardig. Mijn vriendin wilde in de kano zitten. Ik durfde niet. Toen zij omsloeg, hielp de stoere neef haar het water uit. We waren allebei op slag verliefd, maar dat deelden we die avond alleen met elkaar. Mijn vriendin vertrouwde me ook toe dat ze tijdens het plassen achterover was gevallen, in haar eigen pies. Omdat ze niet wilde dat wij dat merkten, is ze meteen het water in gegaan zodat het leek alsof haar rug en haar haar nat daardoor zo nat waren.

De volgende dag gingen we weer bij de meisjes op bezoek. Omdat de kans bestond dat hun neef er ook zou zijn, hadden we ons mooi aangekleed. Mijn vriendin droeg een lichtblauwe zomerjurk en ik had een lichtblauwe driekwartbroek aan, met daarboven een gehaakte, witte trui. Toen we bij de andere meisjes in de kamer zaten – de neef was er niet- dacht ik dat ze naar mij staarden omdat ze mijn broek mooi vonden. Ineens kwam het speelmaatje naar mij toe en fluisterde:

“Er zit een vlek op je broek!”

Ik was dertien en was maar twee keer eerder ongesteld geworden. Ik hield geen menstruatiekalender bij en werd er iedere keer weer door verrast. Ook had ik nog geen kramp in mijn buik, een week van tevoren een pesthumeur en last van onverklaarbaar verdriet.

Met mijn trui om mijn middel gingen mijn vriendin en ik naar de enige supermarkt in de buurt. Zij overtuigde me ervan dat ik tampons moest kopen.

“Daar kan je gewoon mee het water in en je voelt er niets van, ik heb het weleens geprobeerd.”

Thuis deden we mijn broek meteen in de wasmachine en daarna in de droger, zodat ik mijn outfit de volgende dag weer aan kon. Mijn vriendin droeg de volgende dag opnieuw haar lichtblauwe jurk. De stoere neef was er deze keer wel. Hij stoeide met de jongste meisjes en lette niet op ons. Toch was het een gezellige bijeenkomst. Totdat we aan tafel gingen. Het oudste speelmaatje zei luid, waar iedereen bij was:

“Hé, je ziet niets meer van die vlek in je broek!”

Mijn vriendin verslikte zich, verbrandde haar tong aan de tomatensoep en knoeide op haar jurk. Ze kon niet meer stoppen met hoesten en wilde meteen naar huis om de rode vlek uit haar lichtblauwe jurk te spoelen. Ik ging met haar mee, terwijl haar moeder bij de familie bleef zitten. De  volgende dag zijn we niet meer met haar meegegaan naar de familie.

Na drie dagen kregen mijn vriendin en ik knallende ruzie. Het was zo erg dat zij zich opsloot in de badkamer en ik huilend naar huis belde, om te vragen of ze me kwamen halen. Mijn ouders waren er echter niet en mijn broers en zus hadden geen auto.

“Vraag of ze je weer naar huis brengen”, stelde mijn zus voor.

“Maar we zijn hier pas een week!”, schreeuwde mijn ex-vriendin kwaad, toen ik zei dat ik weg wilde. “Je zei dat je twee weken zou blijven!”

Zij wilde niet mee naar Amsterdam en eiste dat haar moeder mij alleen zou wegbrengen. Maar ze moest mee van haar moeder. De hele weg naar Amsterdam hebben we niets tegen elkaar gezegd.

Toen ik twee weken later met mijn moeder in Griekenland was, heb ik haar een kaartje gestuurd: “Was het nog leuk in de Piesbosch? Hier hebben we een zwembad en er zitten geen vissen in.”

NB: Als iemand zichzelf denkt te herkennen in dit verhaal: ik vond het boottochtje heel leuk. En als iemand vraagt of je bekent bent in de Piesbosch, dan moet je gewoon ontkennen dat jij het was.

En voor de Facebook-vriendin die schreef: “Aaaah wil je je momentje echt niet delen? Wil het graag voor me zien. 😉”

Mijn antwoord blijft nee, maar het verhaal hierboven is vast ook leuk om je voor te stellen.

Finding Nemo

 

Op 31 juli 2000 werd mijn dochter één jaar. Ze kreeg die dag twee goudvisjes voor haar verjaardag. Niet in een ronde kom – want dat vonden de visjes niet leuk – maar in een mooie, zware glazen bak waarin ze baantjes konden trekken. De visjes hadden geen naam.

Toen we in 2001 gingen verhuizen, was er nog maar één visje over. In ons nieuwe huis kreeg hij een nieuwe bak en een nieuw vriendje.

Op een ochtend, het was alweer februari 2004, zwom er nog maar één visje in het water. De bak stond op de kast vlakbij het raam, zodat de visjes goed naar buiten konden kijken. Ik dacht eerst dat het ‘verjaardagscadeau-visje’ zijn nieuwe vriendje had opgegeten. Ze waren even groot, maar misschien had hij ontzettende honger gekregen en was het gewone vissenvoer niet voldoende geweest. Een paar dagen later bleek dat de nieuwe vis uit de bak was gesprongen. Ik vond hem tijdens het opruimen terug achter de verwarming naast de kast. Het leek wel of de vis van plastic was, zo hard was hij geworden.

De vrouw van de dierenwinkel waar we een vervangende vis gingen kopen, kon wel huilen toen ze hoorde hoe onze vis aan zijn einde was gekomen.

“Weet je wel hoe vreselijk het is om zo te sterven?” zei ze dramatisch. “Dat gun je niemand!”

Om te voorkomen dat het nog een keer zou gebeuren, kochten we deze keer een bak met een deksel. Er zaten luchtgaatjes in en een klepje waar het eten door zou kunnen. Uit deze bak kon niemand meer ontsnappen.We hadden weer twee vissen maar de verjaardagsvis trok na een paar dagen om onduidelijke reden krom en een week later dreef hij dood in het water.

De goudvis die we toen kochten was eigenlijk geen goudvis. Hij was een stuk kleiner dan het visje dat er nog was en hij was zilverkleurig.

“Een zilveren goudvis,” had mijn dochter enthousiast geroepen toen ze hem in de winkel zag.

Ook dat visje was binnen een paar dagen dood. Omdat het andere visje weer ‘zo zielig alleen’ was, had mijn dochter hem een naam gegeven.

“Misschien vermoordt Nemo hen wel, wil hij geen gezelschap?” opperde ze.

“Misschien wel,” zei ik. “Kijken wat er gebeurt als hij alleen blijft.”

NB: Vandaag, 12 januari 2017 weet ik nog steeds niet zeker of Nemo een jongetje is. Ik heb geen idee hoe je aan een goudvis zou kunnen zien of het diertje een hij of een zij is.

Aan guppy’s was het verschil tussen jongens en meisjes duidelijk te zien. Een van mijn broers – Kenneth – had een aquarium met een stuk of vijf guppy’s. Er zwom één jongen tussen. Hij leek op de vis uit het boek van Marcus Pfister: de mooiste vis van de zee.

mooiste_vis_3

De meisjesguppy’s waren saai grijs, met een kleine staart en constant zwanger. Hun kinderen bleken ook allemaal meisjes. Ze groeiden hard, raakten snel zwanger en iedere week als ik langs kwam, waren er weer wat meisjes bij gekomen.

Ik weet niet hoe lang het vermenigvuldigen van die guppy’s door had moeten gaan, maar bij Kenneth stopte het abrupt omdat de jongensguppy met zijn staart vast kwam te zitten in de pomp van het aquarium. Mijn broer was er helaas niet bij toen het gebeurde, anders had hij de pomp uit kunnen zetten zodat de guppy gered kon worden. Natuurlijk vond Kenneth het jammer dat hij geen mooie vis meer had, maar nu hoefde hij niet meer om de week een groter aquarium te kopen. Op een gegeven moment had hij meer dan veertig visjes en kocht hij een aquarium zo groot als een zitbad.De twee visjes die bij mij woonden, hadden altijd genoeg gehad aan een bak van 17 liter. Voor één visje was dat vast en zeker voldoende.

We kochten nieuwe geen visjes meer, maar ons huishouden breidde zich wel uit met een vriend en stiefpapa in 2006 en een zoontje en broertje in 2008.

Omdat Nemo in 2009 zijn eerste lustrum vierde, besloten we hem te verwennen. We gingen in de dierenwinkel op zoek naar wat lekkers voor hem. Toen we allerlei mooie steentjes bekeken – vissnoepjes bestaan volgens de mevrouw van de dierenwinkel niet – liet ze ons ongevraagd een glazen bak zien. Hij was net binnengekomen. Er kon twintig liter water in en de rand was extra hoog.

“Maar er zit geen deksel op. Straks springt de vis eruit!” zei ik.

“En daar is die hoge rand dus voor,” zei ze. “Als je dit aquarium voor de helft vult, is dat voldoende. De vis kan er dan niet uit springen.”

Behalve een glazen bak en paarse steentjes kochten we die dag ook waterplantjes en een beeldje van een schildpad met een schep. Een vis maakt geen geluid, maar kan wel met zijn ogen spreken. Nemo keek trots toen hij kriskras heen en weer zwom in zijn nieuwe, grotere aquarium. Hij groeide zelfs van trots. Of omdat hij meer ruimte had. Zijn buik werd ook steeds dikker. Het was dat Nemo al een tijdje alleen was, anders zou ik denken dat hij een zij was en zwanger was.

Elke keer, als mijn dochter en ik langer dan drie dagen van huis waren, kwam mijn moeder in ons huis langs om voor de planten en voor Nemo te zorgen. In 2013 gingen we twee weken naar Spanje. Omdat Kenneth in die dezelfde periode ook lang van huis was, beloofde onze moeder om ook bij hem langs gaan om voor zijn guppy’s te zorgen.

Toen wij terugkwamen van vakantie, liep ik direct naar Nemo toe. Hij zwom meteen naar de zijkant van het aquarium toe en keek me boos aan. Hij moest moeite doen om zijn vissenkop onder water te houden. Er zat nog maar vijf centimeter water in zijn aquarium. Ik wist wel dat het warm was geweest in Nederland toen we er niet waren, maar ik kon me niet voorstellen dat het water zo snel verdampte.

Boos belde ik mijn moeder op: “Waarom heeft u niet goed op Nemo gelet? Er zat bijna geen water meer in zijn aquarium!”

Mijn moeder schrok toen ze het hoorde. “ Maar ik heb wél goed voor je visje gezorgd!” zei ze.“Toen jullie weg waren, ben ik meteen de volgende dag gaan kijken. De bak was toen half vol en ik heb het water aangevuld tot de rand. En ik heb het steeds bijgehouden.”

Ik was vergeten door te geven dat ze het aquarium niet te vol moest maken. Nu was ik blij dat ze dat wel had gedaan. Er bleek een scheur in de bodem van het aquarium te zitten die steeds groter werd. Het water liep iedere dag sneller weg. Gelukkig waren we op tijd terug van vakantie om Nemo te redden van een verschrikkelijke dood.

Inmiddels is het 2017. Volgens de mevrouw van de dierenwinkel kan glas zomaar barsten omdat er teveel spanning op staat en daarom heeft Nemo weer een plastic bak. Gisteren kwam hij weer even langs zwemmen toen ik naast zijn bak stond en ik zag ineens een gekke bobbel bovenop zijn lip. Ik was meteen ongerust. Ik weet namelijk uit ervaring dat een bobbel op je huisdier een slecht teken is.

Mijn konijn Braga had in 1991 een bobbel op zijn neus. De dierenarts zei dat ze er wat aan kon doen. Ze heeft het arme dier voor veel geld gemarteld. Toen ik hem terug kreeg (Ja, Braga was écht een jongen, hij had een piemeltje en ballen) was de bobbel weg en had Braga drie hechtingen in zijn gezicht. De volgende dag lag hij dood in zijn hok. De cavia van mijn dochter kreeg na zeven jaar een bobbel in zijn nek. Voordat we hem naar de dierenarts konden brengen, was hij niet meer.

Nemo wordt 9 februari 2017 dertien jaar. Elk jaar krijgt hij wat leuks voor zijn verjaardag. Maar omdat het nu niet meer zeker is of hij er 9 februari nog wel is met zo’n bobbel, ben ik gisteren meteen naar de dierenwinkel gegaan. Nieuwe plastic bak, nieuwe steentjes, verse plantjes en nog wat leuke huisjes en een poppetje. Ik had meteen bedacht dat er misschien een of andere schimmel aan de plantjes of de steentjes zat en dat het gewoon uitslag was, die bobbel op zijn lip.

Nog geen uur nadat ik de bobbel had gezien, had Nemo al een nieuw onderkomen. Maar in plaats van dat hij trots rond ging zwemmen zoals ik van hem gewend ben, ging hij tussen de nieuwe steentjes liggen en bewoog niet. Zelfs zijn ogen, die meestal wel heen en weer gaan of me doordringend aanstaren, leken levenloos. Ik was in paniek.

“Ik hoop niet dat hij nu ineens doodgaat!” riep ik tegen Juri, die een vrije dag had.

Juri kwam ook kijken.

“Misschien moet hij even acclimatiseren,” zei hij ineens. “Dat verse water is natuurlijk een stuk kouder dan het water dat hij gewend was.”

Ik aarzelde geen moment en vulde de gieter met warm water. Voorzichtig vulde ik  het water in zijn bak bij. Juri had gelijk. Na een paar minuten knipperde Nemo met zijn ogen en bewoog hij zijn vinnen. Ook zijn kieuwen gingen open en dicht. Al gauw zwom hij langs zijn nieuwe huisjes. Het leek weer goed met hem te gaan. Ik hoop dat we dit jaar zijn dertiende verjaardag mogen vieren!

PS: Toen Kenneth in 2013 terug kwam van vakantie, waren al zijn visjes dood. Hij zei dat mijn moeder hen te veel eten had gegeven en dat dat de oorzaak was. Maar ik heb op Wikipedia gelezen dat guppy’s in gevangenschap niet ouder dan zes maanden worden. Goudvissen daarentegen kunnen bij een goede verzorging wel vijfentwintig jaar worden…

img_7330-1

 

 

 

 

 

 

 

Zak ‘em uit de heup (not)*

Komt een vrouw bij de fysiotherapeut. Zegt die vrouw:

“Dokter, ik heb zo’n pijn in m’n been.”.

Dit is helaas geen begin van een slechte mop maar mijn verhaal van tegenwoordig. Podotherapie, inlegzooltjes, op maat gemaakte slippers en lelijke sandalen. Allemaal binnen acht maanden gekregen en allemaal hielpen ze niet.

De fysiotherapeut die ik daarna bezocht, zei dat ik scheef liep. Mijn knieën stonden naar binnen, mijn rechterbeen erger dan mijn linkerbeen. Ondanks dat dacht ze dat ze wel wat voor mij kon betekenen. Na mijn eerste bezoek was ik fan van fysiotherapie. Ik kon letterlijk weer huppelen! Zij had een hoop geweld gebruikt, maar het bleek nodig te zijn. Het fijne gevoel bleef hangen tot een uur of vier die middag. Daarna kwam de pijn in mijn been terug en kreeg ik last van mijn nek. Daar kon de fysiotherapeut vast ook wat aan doen. Helaas was mijn volgende ontmoeting met haar pas over een week.

Ik keek er echt naar uit om weer door haar onder handen genomen te worden, want mijn been begon steeds meer pijn te doen. Waar het precies zat, weet ik niet. Maar het hielp als ik mijn dijbeen vlakbij mijn kruis vastpakte en de spier (of pees, ik weet niet wat het was) die ik dan voelde, naar boven duwde. Trots liet ik mijn zelfbedachte behandeling aan mijn dochter zien. Ik vroeg of het er raar uitzag als ik zo over straat ging.

“Je ziet er uit alsof je je plas probeert in te houden”, antwoordde ze.

In de passpiegel in haar kamer zag ik dat ze gelijk had. Het voelde goed maar zag er te vreemd uit om in het openbaar te doen. Dus deed ik het alleen thuis en enkel wanneer ik in mijn eentje was. Omdat ik toentertijd nog vier dagen in de week, acht uur per dag op kantoor aanwezig was, had ik minimaal tweeëndertig uur in de week pijn.

Na een paar dagen had mijn privébehandeling ook geen effect meer. Toen de dag van mijn afspraak eindelijk was aangebroken,  strompelde ik haar praktijk binnen. Vol goede moed ging ze aan de slag, maar deze keer ging ik met nog meer pijn naar huis. Ze  zei dat het nare gevoel weg zou trekken en dat ik me daarna weer beter zou voelen. Na twee dagen was de pijn die zij veroorzaakt had, over. Verder was er niets veranderd.

Na nog drie bezoeken zonder resultaat vroeg ik of ze foto’s wilde maken want de pijn werd steeds erger. Omdat ze zelf geen röntgen ogen of -apparatuur had én omdat ze me niet zonder verwijsbriefje naar het  ziekenhuis mocht sturen, belde ze diezelfde middag nog naar de huisarts. De volgende dag belde zijn assistente mij op om een afspraak te maken: ik kon meteen na het weekend terecht. Gewoonlijk zou ik er alles aan doen om onder een afspraak op maandagochtend om half acht uit te komen. Nu was ik blij dat ik zo snel langs mocht komen.

De huisarts kon me meteen op aanwijzing van de fysiotherapeute doorsturen naar het ziekenhuis, maar hij wilde me per se zelf ook nog pijnigen voordat ik het felbegeerde verwijsbriefje kreeg. Chagrijnig en nog iets kreupeler dan eerst kon ik gelukkig dezelfde ochtend door naar het ziekenhuis om foto’s te laten maken van mijn heup. De huisarts beloofde me dat hij donderdag – vier dagen later – de uitslag zou hebben. Ik kon hem daar tijdens het telefonisch spreekuur over bellen.

In het ziekenhuis werd ik niet onderzocht, maar er werd wel van me verwacht dat ik poses aannam die ik nooit eerder had aangenomen. Ook niet toen ik nog geen pijn in mijn heup had. Toen ik tegen de fotograaf zei dat het niet lukte, verscheen er ineens nog iemand en die hielp me een handje. Na die fotosessie had ik ineens nog veel meer pijn.

De volgende dag werkte ik vanuit huis. Ik had inmiddels zoveel pijn dat ik nog net vanuit bed naar de bank kon kruipen. Veel meer zou niet lukken. Juri moest ons zoontje dan maar alleen naar school brengen. Terwijl ik al werkend naar Netflix keek, belde de huisarts mij plotseling op. De uitslag was binnen en hij had slecht nieuws: er was slijtage aan mijn heup te zien op de röntgenfoto en er waren ook nog wat andere verontrustende dingen. Daarom had hij meteen de volgende dag een afspraak voor mij geregeld bij de afdeling orthopedie van het OLVG. De behandelend orthopeed zou mij daar verder inlichten.

Eenmaal in het ziekenhuis kreeg ik een hele grote röntgenfoto van mijn heup te zien. Zelfs een leek als ik kon zien dat het allemaal behoorlijk scheef zat. Een arts die wist hoe het eigenlijk hoorde, zei wat er mis zou kunnen zijn. Hij noemde drie ziektes waar ik nooit eerder van had gehoord en wilde me meteen onderzoeken. Tijdens het onderzoek drukte hij op nog weer andere plekken dan de fysiotherapeute en de huisarts hadden gedaan. Zijn diagnose was een slijmbeursontsteking. Daar had hij het nog niet over gehad, maar dat bleek de vierde optie. Hij legde uit dat het kwam doordat er wrijving was in mijn heupgewricht, die was ontstaan door het verdwijnen van een of ander noodzakelijk stuk kraakbeen. Een slijmbeursontsteking kon gemakkelijk verholpen worden door de slijtage aan te pakken. Maar dat kon alleen als de ontsteking genezen was. En die ontsteking ging dus niet weg zolang er wrijving was, veroorzaakt door de slijtage.

Voor mij leek het al niet meer op te lossen. Maar gelukkig bestaan er ontstekingsremmende pijnstillers die sterker zijn dan welke wrijving ooit. Alleen de bijwerkingen zijn vervelend. Brandend maagzuur, warrig zijn, suf en vergeetachtig.

Alles wat in me opkomt, wil ik altijd meteen doen, maar ik heb in de loop der jaren geleerd dat het handiger is om eerst af te maken waar ik mee bezig ben voordat ik aan wat nieuws begin. Om de overige vijf dingen die ik meteen bedenk als ik iets afmaak te onthouden, maakte ik vroeger – vaak al direct als ik opstond – een lijstje. Gedurende de dag streepte ik door wat ik voor elkaar had gekregen. Wat voor het slapen gaan nog steeds niet was doorgestreept, schoof ik door naar de volgende dag.

Na mijn eerste nacht vol ontstekingsremmende pijnstillers, voelde ik toen ik wakker werd dat het weer tijd was voor een lijstje. Ik kon niet eens meer kiezen tussen eerst mijn ochtendjas aandoen of eerst mijn sloffen. Naast mijn bed liggen altijd genoeg lege blaadjes om een roman te schrijven. Ik kon alleen mijn pen niet vinden.

NB: Ik gebruik niet zomaar een pen als ik een lijstje maak. Ik heb speciaal voor dit soort momenten een Waterman vulpen. Een lijstje maken met een potlood of een ordinaire Bic pen is voor mij not done. Net als schrijven in mijn dagboek . Dat is ook een bijzondere gebeurtenis en kan ook niet met ‘zomaar’ een pen. Uiteindelijk doe ik het wel, soms is de vulling van mijn vulpen leeg en sommige belevenissen moeten meteen opgeschreven worden voordat ik het vergeet.

Die morgen moest ik – om een voor mij nog steeds niet duidelijke reden – mijn vulpen vinden. Tijdens het zoeken bedacht ik nog vier andere dingen die meteen gebeuren moesten en daarna vergat ik dat ik een lijstje wilde maken. De rest van de dag verliep licht chaotisch, maar toen ik ging slapen was de tafel netjes, de keuken schoon en zat het nachtslot op de deur. Ik gebruikte braaf de voorgeschreven medicatie en het leek te werken. Al wist ik niet of ik nu minder pijn had omdat de ontsteking minder was geworden of omdat ik verdoofd was door de pijnstillers.

Een week later droomde dat ik moest plassen, maar dat de wc bezet was. Ik schrok wakker, moest heel nodig en wilde snel uit bed stappen. Ik was echter vergeten dat ik pijn in mijn heup had en daardoor niet spontaan meer op mijn rechterbeen kon staan. Ik verloor mijn evenwicht en viel schuin achterover. Er was niets in de buurt waar ik me aan kon vastgrijpen, maar gelukkig viel ik niet op de grond of met mijn hoofd tegen de rand van het bed. Een slapende Juri brak mijn val. Hij schrok wakker en was meteen in paniek. Er was echter geen tijd om uit te leggen waarom ik zo hard op hem terecht was gekomen. Ik moest plassen!

Ik hinkte naar de wc en was net niet op tijd.  Terwijl ik op de pot verder plaste, drong het langzaam tot me door wat er zojuist was gebeurd. Ik had pijn maar besloot niet meteen naar de medicijnen te grijpen. Ik zou mijn onderbroek in de wasmachine doen en gaan douchen. De wekker zou toch zo meteen gaan. Ik trok alvast alles uit en liep in mijn blootje naar het washok. Mijn wasmand zat vol en ik weet nog dat ik dacht: ik doe meteen een wasje, dan is dat ook weer gebeurd, ben ik lekker vroeg klaar.

Ik kieperde de wasmand om maar kwam toen tot de ontdekking dat de wasmachine nog vol zat. En  toen herinnerde ik me weer dat ik gistermiddag ‘even snel’ de inhoud van de wasmand van mijn zoontje in de wasmachine had gepropt. Alle kleren waren inmiddels schoon, maar ik was dus vergeten de was op te hangen. Ik had ooit een droger maar die verspreidde opeens heel veel pluisjes. De kleren kwamen er viezer uit dan ze er in gingen. Het wasrek dat ik daarna gebruikte was eigenlijk een tijdelijke oplossing maar werkte prima mits ik niet vergat – zoals nu – om het te gebruiken.

Ik haalde de kleding van mijn zoontje uit de wasmachine. Ze waren dan misschien schoon maar roken alles behalve fris. Nog een keer wassen dan maar. Mijn onderbroek moest daar dan maar even bij. Op de vloer van het washok lag nog steeds de inhoud van mijn wasmand. Omdat het een beetje frisjes begon te worden, zo in m’n blootje, viste ik een handdoek uit de berg wasgoed en sloeg die om. De handdoek rook heel sterk naar ongewassen kleren. Ik wilde snel naar de douche lopen, maar van de pijnscheut die door mijn bekken trok, moest ik stil blijven staan mét een muffe handdoek omgeslagen.

Ik vroeg me af of ik niet eerst even naar de keuken moest zodat ik mezelf kon verdoven voordat ik zou gaan douchen. De douche was dichterbij maar mijn knie begon nu ook te zeuren. Na een korte overweging liep ik naar de keuken, alwaar ik al mijn pillen in mijn rommellade bewaarde. In de keuken zag ik dat het aanrecht nog volstond met vaat. En ik wist weer wat ik voor het slapen gaan had willen doen. Ik kon nu even snel de afwas doen, maar ik had geen broek aan en mijn handdoek rook best vies. Ik besloot – zonder medicatie in te nemen – om te gaan douchen. Maar al na de eerste stap was het alsof iemand me keihard in mijn kont kneep.

“Oh ja, ik zou pijnstillers innemen.”

De pillen die ik vanuit de apotheek in het ziekenhuis had meegekregen, slikte ik alleen nog voordat ik naar bed ging. Ze zouden goed werken om een dolle olifant rustig te krijgen, maar ik wilde de rest van de dag nog kunnen functioneren. Daarom gebruikte ik ‘slechts’ ibuprofen, gewoon gekocht bij Lidl, mijn favoriete supermarkt. Het was vast psychisch, maar de ibuprofen werkte die ochtend meteen. Ik voelde mijn spieren ontspannen en ging lekker warm douchen.

Gelukkig hoef ik niet meer naar m’n werk. Op kantoor kreeg ik pijn in mijn kont en rug van het zitten, en lopen was ook een opgave. Ik besefte me niet hoe vaak ik opstond en door de gang liep, totdat er voor de zoveelste keer aan me gevraagd was of het echt wel ging, iemand opmerkte dat ik liep als zijn oude moedertje en weer een ander verbaasd vroeg waarom ik in de keuken ongemakkelijke kniebuigingen deed.

Ik ben nog een keer naar kantoor geweest, ondersteund door mijn gloednieuwe, paarse design krukken mét reflectoren, maar al snel kreeg ik – ondanks de extra pijnstillers die ik mee had – naast de gebruikelijke pijn, kramp in mijn handen en mijn armen.

Pijnstillers innemen op kantoor was trouwens een erg slecht idee. Ik kon me ineens heel goed voorstellen hoe het olifantje Dombo zich moest voelen toen hij zijn pijn om het gemis van zijn moeder wilde verdoven. Misschien niet met ibuprofen maar met drank, maar toch begreep ik hem: hij flipte.

Ik zag trouwens geen roze olifanten, maar van alle kanten verschenen ineens collega’s die onbegrijpelijke dingen aan mij vroegen en dan ook nog een zinnig antwoord verwachten. Mijn twee telefoons gingen constant over en mijn inbox puilde uit. En natuurlijk moest alles snel gebeuren.

A day at the office on Naproxen Accord

Het was waarschijnlijk gewoon een dag zoals alle andere op kantoor, maar ik kon er niet meer tegen en ben op mijn paarse krukken weggevlucht. Ik ging op het bankje van de bushalte zitten en toen verscheen er een omaatje met een stok en een boodschappen kar. Ik schoof een stukje op, zodat ze ook kon zitten, maar ze zei dat ze niet hoefde. Toen ze mijn krukken zag, riep ze verrukt uit: “Wat heb je mooie stokken, wat een mooie kleur!”

Al gauw kwamen er twee bussen aan. We moesten allebei de achterste hebben. Zij had een mooie zwarte wandelstok en toen ze naar de bus liep, ging ze best hard. Ik strompelde er achteraan. Ik zou ook willen dat ik hard ging met krukken, maar ik hoopte vooral dat ik ook weer snel zonder mijn mooie paarse stokken hard kon gaan.

Als ik thuis ben, loop ik trouwens nog steeds zonder krukken. Als het even niet meer gaat, kan ik alles veilig vastpakken. Ik hoef niet constant uit te leggen wat er met me aan de hand is en niemand vindt het raar als ik spontaan een oefening doe die ik heb geleerd bij de oefentherapie.

Ik ging eerst elke week naar fysiotherapie, maar toen het te pijnlijk werd, veranderde dat dus in oefentherapie. Het is bedoeld om de pijn van de ontsteking en de slijtage te verlichten en ervoor te zorgen dat ik niet volledig verkramp in de tijd dat ik moet wachten op nader bericht van het ziekenhuis.

Volgens veel mensen betekent een versleten heup standaard een heupoperatie. Maar volgens de arts in het ziekenhuis hoort een versleten heup niet bij mijn leeftijd en wil hij eerst van alles uitsluiten voordat hij gaat opereren. Ondertussen heb ik pijn en het wordt steeds erger. Als hij het nog even rekt, ben ik na een tijdje wel oud en kreupel genoeg om geopereerd te worden. (Ik ben namelijk bijna jarig, hoera!)

Gewoonlijk zou ik de dagen tot mijn verjaardag aftellen, maar zes dagen na mijn verjaardag mag ik weer naar het ziekenhuis. En daar verheug ik me meer op.

’s Avonds, vlak voor ik ga slapen, is het weer tijd voor mijn wonderpillen. Deze keer heb ik even geen zin meer in brandend maagzuur – één van de onvermijdelijke bijwerkingen – en ga voor thee met kamille, kurkuma en gember. Kurkuma en gember zijn beide ontstekingsremmend en van kamille ga je lekker slapen.

Eenmaal in bed denk ik aan wat ik gedaan heb vandaag. Geen idee meer wat het allemaal was, maar dat maakt nu toch niet meer uit. In bed kan ik niet liggen hoe ik wil. Ik lig het liefst op mijn rechterzij, maar dat is nu geen optie. Op mijn linkerzij ligt gewoon niet lekker en als ik op mijn rug ga liggen draai ik toch wel weer naar rechts als ik slaap. Ik ben al een paar keer wakker geworden door de pijn in mijn ontstoken slijmbeurs. En ineens maak ik me weer zorgen om de komende nacht. Van al dat gepieker word ik onrustig terwijl het juist mijn bedoeling was om tot rust te komen.

Maar kamillethee is gelukkig krachtig.  Ik voel mijn oogleden zwaar worden. Het laatste wat ik denk voordat ik in slaap val: “Morgen maar weer een lijstje maken. Maar eerst die pen zoeken.”

*Funky liedje van De Jeugd Van Tegenwoordig. Zoek maar op op Youtube. Ga ik meteen op dansen wanneer ik weer helemaal beter ben.

Moeten?

 

Ik had deze week nog zoveel te doen dat ik niet meer wist waar ik het eerst aan moest beginnen. Dus deed ik maar niets. Omdat ik zogenaamd nergens tijd voor had. En daarom:

  • werd mijn aanrecht steeds voller;
  • werd de stapel met kleding om te vouwen/strijken steeds hoger;
  • bleef het idee om van mijn vakantiedagboek een blog te maken slechts een idee;
  • is de fiets van mijn zoontje – vastdraaien van één enkel schroefje – nog steeds niet gerepareerd en heb ik hem de hele week achterop de fiets naar school gebracht;
  • heb ik de Netflix serie Once Upon A Time nog steeds niet afgekeken terwijl het echt een hele schattige serie is. Once Upon A Time gaat over sprookjesfiguren én ware liefde. Ik ben nu bij de aflevering waarin een dwerg en een elfje elkaar per ongeluk ontmoeten. De liefde tussen die twee is onmogelijk maar zo sterk, dat ze in een andere wereld – waar ze niet weten wie ze echt zijn – toch weer verliefd worden, al is zij dan een non en hij een chagrijnige mijnwerker. Ik wil graag weten hoe het afloopt, of ze bijvoorbeeld schattige kindjes krijgen die handig en sterk zijn maar die ook kunnen toveren en vliegen. Of dat de dwerg verongelukt in de mijnen en het elfje sterft van verdriet, maar dat ze elkaar daarna weer in een andere wereld tegenkomen. (De serie heeft tenslotte vijf seizoenen). Maar ik heb helaas geen tijd om te kijken en ben ergens halverwege seizoen één blijven hangen.

Waar ik het zo druk mee heb? Met in bed liggen piekeren over hoe ik dit allemaal moet oplossen. En omdat ik ’s nachts wakker lig, ben ik overdag op kantoor moe en lijkt mijn werk ineens onuitvoerbaar. Lijkt. Want het lukt me uiteindelijk wel, maar daarna ben ik ’s avonds doodop. Op de bank zit ik te knikkebollen en mis belangrijke stukken van series zodat ik niet weet waarom iedereen opeens gaat gillen ofzo. Maar als ik eenmaal in bed lig kan ik niet slapen. Of ik lig al om negen uur te snurken en ben tussen twee en half zes wakker, om vervolgens om kwart voor zeven helemaal gebroken de wekker uit te zetten en uit mijn bed te rollen om weer aan een slopende werkdag te beginnen.

Zaterdagavond was ik zo moe dat ik voor de televisie in slaap viel. Ik heb mezelf om elf uur naar bed gesleept maar net als eerder deze week was ik in bed klaarwakker. Om nergens meer aan te hoeven denken ben ik filmpjes gaan kijken op Facebook.

Om kwart voor acht vanmorgen schrok ik wakker. Geen idee waarvan, want de wereld om me heen was in diepe rust. Op het scherm van mijn iPad zag ik het laatste plaatje van het filmpje waar ik gisteravond aan was begonnen. Ik wist niet waar het over ging en had de mogelijkheid om het filmpje nogmaals op te starten. Maar in plaats daarvan stond ik op. (Ik moest plassen, red.) Terwijl ik naar de wc liep, zag ik de ravage in de keuken. En terwijl ik mijn handen stond te wassen – zoals het hoort na het plassen – besloot ik om te gaan afwassen. Dat is zo  vroeg in de morgen best een rustgevende bezigheid. Omdat ik me daarna zeer goed voelde, besloot ik dat ik best nog een paar klusjes aankon.

NB: Dinsdagmiddag kwam er een vriendje van mijn zoontje op bezoek. Ze hadden zo wild gespeeld dat ze ’s avonds moe waren en om alles ruzie kregen. Daar werd ik moe van. Opruimen had geen zin met die twee druktemakers om me heen en in strijken had ik geen zin. Ik had zelfs geen puf meer om te koken. Juri had avonddienst en was er dus niet om ons te redden. Daarom vond ik het een goed moment om ‘uit eten’ te gaan.

McDonalds was gelukkig niet ver weg. De jongens wilden een cheeseburger, heel veel McNuggets en ketchup. Ze hadden een Nintendo 3 DS mee en toen het eten er eenmaal was, bestonden mijn dochter en ik niet meer voor hen. Mijn dochter wilde een Wrap menu, zonder kaas én zonder tomaat. Volgens het meisje achter de toonbank was dat geen probleem. Maar toen mijn dochter de wrap uitpakte, stak er meteen een plakje tomaat uit het kartonnetje.

“En er zit vast ook kaas in,” zuchtte mijn dochter.

Ze had gelijk. Terwijl ze terugging naar de toonbank, begon ik aan mijn salade met kip. Zoals altijd kreeg ik er een zakje met 50 ml dressing bij. Maar omdat ik dressing over mijn salade niet lekker vind, laat ik het zakje ongeopend. Ze zouden de kaas en de tomaat ook los bij de wraps moeten geven. Dan hoefde mijn dochter nu niet lichtelijk geirriteerd toe te kijken hoe haar broertje en zijn vriend met een stukje kipnugget extra ketchup over hun cheeseburgers smeerden.

“Dit zakje mag je meenemen in het vliegtuig.” zei ik om mijn dochter af te leiden. Ik wees op de dressing.

“Waarom zou ik dat doen?” vroeg ze.

“Je mag 50 ml vloeistof meenemen, en dit is precies 50 ml.” antwoordde ik.

“Misschien kun je het als kussen gebruiken.” zei ze. En terwijl ze haar beker Sprite bijna in een teug leegdronk, hield ze het zakje dressing tegen haar voorhoofd.

“En die mag je ook meenemen in je handbagage,” zei ik toen ze de lege beker op het dienblad neerzette.

“Waarom zou ik dat willen?” wilde ze weten.

“Als de beker vol is, zit er teveel vloeistof in om mee te nemen als handbagage. Een lege beker mag wel mee.”

“Maar waarom moet ik een lege beker meenemen?” vroeg ze verbaasd.

“Niet omdat het moet maar omdat het kan!”  grijnsde ik.

“Dat is stom!” zei m’n dochter. En toen schoot ze in de lach.

Ineens stond de manager van het restaurant voor ons, met een nieuwe wrap.

“Sorry dat het zo lang duurde,” zei ze. “Eet smakelijk.”

Toen mijn dochter de wrap zorgvuldig onderzocht, zat er echt geen tomaat of kaas meer bij.

“Ik wist niet eens dat je dat kon vragen,” zei ik. “Zonder kaas of tomaat.”

“Alles kan,” zei mijn dochter toen. “Zelfs een wrap zonder kip. En ze doen het altijd. Niet omdat het moet maar omdat het kan.”

En daar dacht ik vanmorgen weer aan: Omdat het kán. Zondag is de enige dag waarop niets moet. Als je zegt dat je afgelopen woensdag de hele dag in bed hebt gelegen, of vrijdag de hele dag in pyjama hebt rondgelopen, is dat raar. Maar zondags mag dat.

En je kan op zondag dus ook afwassen, je zoontjes fiets maken en strijken terwijl je naar Netflix kijkt. En daarna een blog schrijven. Niet omdat het moet maar omdat het kan. En daarna ga je ’s nachts lekker slapen. Moet niet, kán.

 

 

 

 

 

Ineens

 

Ik heb een dagboek. Elke dag schrijf ik op wat ik beleefd heb. Soms zijn een paar regels voldoende om mijn dag te omschrijven:

“Uitgeslapen, opgeruimd en toen gaan winkelen. Echt in een paskamer gestaan. Mooie jurk gekocht maar nog geen schoenen gevonden. Morgenochtend online verder shoppen”.

Maar er zijn ook dagen dat ik niet kan stoppen met schrijven omdat ik met vragen zit en alle mogelijke antwoorden met mezelf moet bespreken. Bladzijden vol met ‘stel dat’ en ‘het zou ook kunnen dat’ en ‘misschien was het juist de bedoeling dat’.

Tijdens de vakantie in Spanje had ik mijn dagboek niet meegenomen. Wel kleurtjes en een tekenblok. Ik was van plan elke dag een tekening te maken. Dat is niet gelukt. Ik heb in totaal drie tekeningen gemaakt voor het kinderboek waar ik aan werk. Ik heb expres geen laptop of schrijfblok meegenomen omdat ik ook qua schrijven aan vakantie toe was. Maar ik kon het niet laten om af en toe toch nog wat op papier te krabbelen.

De eerste avond in Spanje heb ik al geprobeerd onze heenreis zo volledig mogelijk op papier te zetten. Het verhaaltje was korter dan het verhaal hieronder. Maar als ik het letterlijk over zou typen was het alleen nog voor mij te volgen. En ik moest ook een geredigeerd verhaal hebben voor mijn officiële dagboek omdat er anders elf dagen zouden ontbreken:

Zaterdag 6 augustus 2016

Koffers ingepakt. Huis schoongemaakt. Om 22:30 uur in bed gaan liggen. Moe maar voldaan. Als we wakker worden, gaan we naar Schiphol!

Zondag 7 augustus 2016

Wekker gaat om 01:15 uur. Even opfrissen, aankleden, bed opmaken en dan naar Schiphol. Hoera!

Mijn lieve broer Kenneth belde precies om 02:00 uur aan. Zijn auto stond al knipperend voor de deur. De koffers konden ingeladen worden. Mijn zoontje rende meteen naar buiten en vergat zijn rugzak (= belangrijke handbagage). Ik kon hem terugroepen maar kon de rugzak ook gewoon meenemen, dat was minder bewerkelijk. Juri plaatste heel handig en snel alle vier de koffers in de achterbak. Mijn dochter zat al in de auto en (deed alsof ze) sliep. Kenneth stond op de stoep terwijl mijn zoontje om hem heen danste.

Toen we allemaal in de auto zaten, vroeg Kenneth of ik zeker wist dat ik alles had. Natuurlijk wist ik het ineens niet meer zeker. Maar omdat ik geen zin meer had om alle tassen nog eens na te lopen, vertrokken we toch.

Om 2:30 uur kwamen we aan op een zwaar beveiligd Schiphol. Het was drukker dan verwacht. Maar alles was goed geregeld en het inchecken verliep soepel.

Wij (Joanna, Samuel en ik) werden grondig gefouilleerd. Een neutraal kijkende vrouw voelde zelfs aan mijn billen en aan de zijkant van mijn borsten. Ik zei niets maar dacht: “Ja mevrouw, ik smokkel niets mee!  Alles is echt!” Mijn dochter gilde het uit toen diezelfde mevrouw aan haar zat.

“Het kietelde!”, zei ze daarna verontschuldigend toen ze weer naast me stond. Een mannelijke beveiliger vroeg aan mij toestemming om mijn zoontje te fouilleren.

“En of u er bij wilt blijven staan”.

Door de gil van mijn dochter hadden we de aandacht van een paar omstanders getrokken. Toen mijn zoontje aan de beurt was, hadden we nog steeds publiek. Mijn zoontje keek geschrokken en schuldig. Hij zag eruit alsof hij net drie banken had beroofd. Ik was niet de enige die glimlachte. Toen de beveiliger mijn zoontje van top tot teen had gefouilleerd, pakt hij hem bij zijn schouders.

“Zo, nu nog even dit”.

Hij schudde het jongetje zachtjes door elkaar totdat mijn zoontje weer kon ontspannen. Hij glimlachte nu ook weer. Daarna mochten we doorlopen.

En toen was Juri aan de beurt. Hij ging met gespreide armen voor de mevrouw staan die Joanna en mij net overal betast had. Hij was een kop groter dan zij en stond vrij dicht op haar. Ik zou daar niet van schrikken en ook meteen aan zijn borsten en billen gaan voelen, maar die mevrouw raakte hem nauwelijks aan.

Ik vraag me nog steeds af waarom niet? Is het omdat hij niet bruin is? Of was het een vrouwending en is zij duidelijk ongeschikt voor dit werk? Stel dat hij wel een bom in zijn broek had zitten?

Bij de Tax-free shop was het veel kijken en alleen een etui met tekenspullen kopen. (Zo’n mooie  had ik bij Beslist.nl, de Ako of de Bruna nog niet gezien!)

In het vliegtuig ging mijn dochter meteen slapen. Juri toverde een krant uit zijn mouw en begon te lezen. Mijn zoontje en ik probeerden nog een paar spelletjes op de Nintendo te spelen, maar gingen uiteindelijk – net als mijn dochter – slapen.

En ineens waren we in Spanje.

Na alle controles en het verzamelen van de bagage moesten we nog anderhalf uur met de bus. De kinderen stapten meteen in en vonden achterin een plekje, naast elkaar. Omdat Juri en ik er zeker van wilden zijn dat de koffers ook echt meegingen met de bus, stapten wij later in. De bus bleek ineens propvol en wij konden niet eens meer in de buurt van de kinderen zitten. Voorin waren gelukkig nog twee plekjes vrij, achter elkaar. Ik weet niet of Juri tijdens de busrit wakker is gebleven. Ik heb in ieder geval lekker geslapen.

Om 9:30 uur kwamen we bij het hotel aan. De receptioniste vertelde ons dat de kamer pas om 12:00 uur toegankelijk zou zijn.

“U kunt even de buurt verkennen. Als u uw telefoonnummer achter laat, bel ik zodra de kamer gereed is. Uw koffers kunt u zolang op kantoor laten”.

Omdat we te warm gekleed waren en te moe om doelloos rond te gaan slenteren, bleven we in de lobby van het hotel hangen. Op de computers die daar stonden (1 euro voor 25 minuten) konden we alleen een onbegrijpelijk race-videospel spelen. De handleiding was in het Spaans en we wisten niet wat we moesten doen. Na vier keer verloren te hebben stopten mijn zoontje en ik ermee.

Gelukkig konden we ons ook omkleden in het zelfde kantoortje waar we onze koffers hadden gelaten, zodat we tot nader telefoontje konden gaan chillen bij het zwembad.

Om 12:00 uur precies werden we gebeld. De kamer was gereed. Omdat we prettig lagen bij het zwembad, bleven we er tot 12:50 uur.

Vanaf 13 uur: Inrichten van de kamers, douchen, dutje doen, gegeten bij een restaurant met een onaardige ober die geen Engels wilde spreken en een flink stuk gewandeld om de buurt te verkennen.

Om 23:30 uur gingen we terug naar het hotel. Buiten was het druk. We hadden een kermis ontdekt, vol met drukke kinderen, zagen mensen op terrassen, een treintje dat over de weg reed en veel fietsers. Maar wij waren te moe om nog mee te doen.

Op de hotelkamer keken we nog even televisie: Boing (Nickelodeon) Disney Channel en Clan (Cartoon Network). Het was overduidelijk dat mijn zoontje de afstandsbediening beheerde. BVN was er ook maar daar werden in een studio in het Nederlands de Olympische Spelen in Rio besproken en dat was niet interessant.

Terwijl mijn zoontje televisie keek, Juri een krant las en mijn dochter foto’s van zichzelf verstuurde via Snapchat, schreef ik op wat we allemaal beleefd hadden. En toen gingen we in bed liggen.

Terwijl de rest al naar dromenland was – ik hoor verschillende soorten gesnurk – kreeg ik ineens een fantastische ingeving: Ik wil hier blijven!

Na een dag wist ik zeker dat hier wonen leuker was dan in Nederland of in Suriname. Het weer was fantastisch, de mensen – op die onaardige ober na – vriendelijk en behulpzaam en aan het levensritme zou ik makkelijk kunnen wennen:

-Vanaf 8:00 uur in de ochtend zijn winkels open en      is het ‘normaal’ op straat.

-Tussen 13:00 uur en 16:30 uur is het heet en stil op      straat.

-Daarna is het druk tot middernacht nachts.

Als ik hier woon, wil ik geen hotelkamer in een drukke buurt. Ik koop een huisje in een rustige buurt. En natuurlijk een laptop, een supersnelle wifi verbinding en een leuke baan.

Ik leef van schrijven, maar niet meer zoals vroeger: ik was ooit freelance schrijver bij een uitgeverij waarvan ik de naam niet noem voordat ik zeker weet dat er geen juridische consequenties (meer) zijn. In mijn contract stond namelijk dat ik niet mocht vertellen dat ik hen werkte; dat moest Anomiem blijven. Dertien jaar ben ik daar dus stiekem in dienst geweest.

Waarom ik daar niet meer werk en niet meer onder een pseudoniem – Cynthia Rivers – verhalen schrijf, is genoeg stof om een blog over te schrijven. Wie weet doe ik dat nog. Maar als ik weer zo’n soort baan vind, kan ik meteen op zoek gegaan naar een huis in Spanje.

We zijn in totaal tien dagen in Almeria geweest. Ik heb elke dag geschreven. Dit reisverslag wordt dan ook vervolgd, maar niet nu.

Ik ga me nu eerst even oriënteren op de arbeidsmarkt en bekijk dan ook maar meteen de Spaanse huizenmarkt.

 

 

 

Mopperen

Toen mijn zoontje uit het ziekenhuis werd ontslagen na opname vanwege een extreme astma-aanval, ging het volgens de artsen goed met hem. Zijn reflexen waren in orde, zijn waarden en andere zaken waar alleen artsen naar keken waren ook weer zoals ze hoorden te zijn. Als hij zijn medicijnen bleef gebruiken bleef de rest ook stabiel. Ik vond hem niet de oude. Zijn uitbundige lach was weg. Omdat de mensen in het ziekenhuis die nog nooit gezien hadden, vonden ze het gewoon dat hij met een flauwe glimlach reageerde op dingen waar hij normaal om zou schaterlachen.

Mijn nichtje en alle andere mensen waarmee ik daarna mijn bezorgdheid deelde, zeiden allemaal ‘het komt heus wel weer goed’. Ik wilde dat heel graag geloven. ‘Gewoon veel leuke dingen doen’, was het advies van mijn zus. Ik volgde haar raad op en kocht om te beginnen een nieuw voorleesboek met korte verhaaltjes voor mijn zoontje. Uit ervaring weet ik dat als je echt helemaal nergens meer zin in hebt, je nog altijd kan luisteren naar muziek of een luisterboek.

Toen mijn zoontje de voorkant zag van ‘Allemaal Onzin’ van één van zijn favoriete schrijvers, Paul van Loon, dacht hij meteen dat het een boek voor kleine kinderen was waarin ze op het eind allemaal nog lang en gelukkig leefden. Maar omdat hij zelf niets leukers kon bedenken, mocht ik eruit voorlezen voor het slapen gaan. Omdat de verhaaltjes kort waren, las ik er meteen maar twee voor. Hij lachte niet, maar ik werd wel heel blij toen hij me met een verbaasd gezicht onderbrak met ‘dit is een leuk boek, hè?’

Ik vond het zelf ook een leuk boek. De titel zei het al, het was allemaal onzin. Maar gelukkig wel van die onzin waar je hard om zou kunnen lachen. Er is bijvoorbeeld een hoofdstukje dat heet ‘Mopperen’:

Op een avond gaan de hoofdpersonen uit het verhaal, Onzin en Vladimir, samen een potje mopperen. Het is maar een spelletje, maar het gaat zo goed dat Vladimir echt boos wordt. Onzin weet meteen een nog leuker spelletje: flink boos worden. Om dat te spelen moet je grommen, dingen zeggen als ‘Grrvrzebdebelebvezemetezeprrrz!’ en ‘Ik ben zo boos. Ik kan wel een stoel opeten!’ Aan het eind krijgen Onzin en Vladimir de slappe lach en valt Vladimir – net als mijn zoontje! – vrolijk in slaap.

Het was maar een kinderboek, maar ik werd er meteen door geïnspireerd: maar dan niet mopperen en boos worden, maar doemdenken en zielig doen. Dat leek mij een leuk spelletje. En me daarbij voelen alsof ik net ongesteld ben geworden.

Ik weet niet of elke vrouw het zo ervaart, maar ik heb het die tijd van de maand heel erg zwaar. Al jarenlang. Ik krijg een week van tevoren al pijn in mijn rug en mijn buik. Ik geef eerst de schuld aan scheef zitten en verkeerd eten. Maar als ik op een gegeven moment alleen nog maar kan snauwen en om alles depressief word, dan weet ik het weer. In mijn telefoon heb ik een app die bijhoudt wanneer, hoe lang, hoe erg enzovoort. Ik kan er ook bijschrijven hoe ik me voel, maar ik ben meestal zo depressief dat ik alleen de geschatte einddatum invul om mezelf een beetje moed in te praten: ‘het komt wel weer goed’.

Het is niet voor te stellen, maar ik wilde me dus echt zó voelen. Dit was het perfecte moment. Mijn zoontje sliep, mijn dochter logeerde bij een vriendin en Juri had avonddienst. Ik hoefde even voor niemand vrolijk of gezellig te zijn om de moed erin te houden en kon me lekker laten gaan. Omdat ik niet echt ongesteld was, hoefde ik niet in bed te gaan liggen met zachtjes Prince-muziek op. Ik ging op de bank zitten met mijn iPad op schoot.

Omdat mijn kinderen ook vaak gebruik maakten van mijn Youtube-account en Youtube op basis van wat je eerder had bekeken bekend filmpjes voor je uitzocht, zag ik de raarste filmpjes klaarstaan. Wie is er bijvoorbeeld bekend met de Ninky Nonk? Ik!

NB: Je kunt het hele filmpje bekijken, maar pas vanaf 1:55 wordt het spannend.

Ritje in de Ninky Nonk

Stel je voor dat het GVB je op die manier naar je werk bracht? Ik zou elke dag gaan fietsen of lopen. Met de auto gaat niet; parkeren is een probleem.

Door het filmpje ‘The Top Ten Worst Infocommercials’ kwam ik bij Tell Sell terecht, oftewel ‘Onzin-TV’. Gewoonlijk zou ik daar blijven hangen en allerlei spullen bestellen die ik niet gebruikte omdat ze niet werkten. De Hot Pants draag ik trouwens wel. Ze doen niet wat het filmpje beloofd, maar zitten wel lekker als je ongesteld bent.

Na nog meer filmpjes over Makkapakka, hilarious cats en Boss RC 505 Loopstation  tutorials, kwam ik terecht bij FunX in Kenia. Er stond bij: ‘mijn vader slaat me als ik ongesteld ben.’

Een meisje van dertien vertelde verlegen aan de presentatrice van FunX dat ze niet naar school kon als ze ongesteld werd omdat ze niets had om het bloed tegen te houden. Toen de presentatrice vroeg wat ze het liefst zou willen, dacht ik zelf meteen aan een warm bad, een zacht bed, een kopje warme chocolademelk en misschien ook een pak chocolate chip cookies. Zij antwoordde dat ze wilde dat haar vader haar niet meer in elkaar sloeg. Een ander meisje liet zien waarmee ze zich redde als ze ongesteld was. Ze vertelde dat ze een keertje toch naar school was geweest, maar toen doorlekte en naar huis werd gestuurd. Van de leraar mocht ze pas weer terugkomen als ze niet meer bloedde.

Toen ik dertien was, werd ik ook al ongesteld. Maar op mijn middelbare school stond de vrouw van de conciërge meteen voor je klaar met een ultra-dik maandverband als je een ongelukje had gehad. En eventueel een kopje thee als je erg verdrietig was. Op zo’n moment ook nog eens in elkaar geslagen worden? Ik kan me er gelukkig niets bij voorstellen. Maar als het me zou overkomen, zou ik er niet zo luchtig over kunnen praten als die meisjes. Bij hen is het helaas gebruikelijk en hoort in elkaar geslagen worden bij ongesteld zijn zoals als water bij nat.

Aan het eind van het filmpje zei de presentatrice niet hoe ik die meisjes kon helpen. Ze wilde het waarschijnlijk ‘gewoon even’ aankaarten.

Ik kon de rest van de avond aan hen blijven denken. Me slecht voelen was dan ineens een fluitje van een cent. Maar omdat suïcidaal worden verder niets zou oplossen, probeerde ik meteen zelf wat te bedenken. Geld sturen? Daar hebben ze niets aan als maandverband nergens te koop is. Meteen maar vrachtwagens vol maandverband naar Kenia sturen dan? Nee, daar zat ook niemand op te wachten.

Ik google-de op ‘geen maandverband in Kenia’ en kwam terecht bij ‘oneworld.nl/love/moeilijkheden-door-maandverband’

www.oneworld.nl

Volgens deze pagina werd er gelukkig al hard gewerkt aan een oplossing.

Waar was ik zelf ook alweer mee bezig? O ja, ik zat zielig te doen op de bank omdat mijn zoontje niet meer zo schaterlachte als een maand terug. ‘Allemaal onzin’ zorgde in ieder geval wel voor een blij gezicht. Hoe kwam ik zo snel aan nog meer nuttige onzin?

http://shop.unicef.nl/nl/

Hier vond ik misschien niet meteen iets waar hij de slappe lach van zou krijgen of waarmee ik binnen een week 10 kilo zou afvallen, maar het was duizend keer beter dan onzin tv. Wat ik er ook zou kopen, het zou doen wat er beloofd werd; helpen. En niet alleen mijn zoontje zou zich beter voelen door mijn aankoop. Ook ik voelde me weer wat lekkerder. En dat is ook belangrijk.

image